Flora- en faunawet
Op 1 april 2002 is de Flora- en faunawet (verder te noemen: FFwet) in werking getreden. Een belangrijk deel van deze wet heeft betrekking op de aanwijzing van dier- en plantensoorten als beschermde soort en de gevolgen daarvan.
Welke diersoorten zijn beschermd?
Op grond van de FFwet zijn een groot aantal dier- en plantensoorten als beschermde soort aangewezen; zo zijn niet alleen alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren (behalve de bruine en de zwarte rat en de huismuis), maar ook alle van nature op het grondgebied van de Europese Gemeenschap voorkomende vogels aangewezen als beschermde soort (uitgezonderd de grauwe gans, de Europese kanarie, de rotsduif en de wilde eend indien deze gedomesticeerd zijn).
Daarnaast zijn ook alle van nature in Nederland voorkomende soorten vissen (behalve de vissen die onder de Visserijwet vallen) en alle van nature in Nederland voorkomende amfibieën en reptielen als beschermde soort aangewezen. Daarnaast zijn nog een aantal andere soorten aangewezen, zoals de rivierkreeft, het vliegend hert en enkele vlindersoorten (o.m. de Rode vuurvlinder en het Heideblauwtje), een aantal kevers, libellen, dagvlinders en de Bataafse stroommossel.
Wat mag niet?
In de FFwet is bepaald – kort samengevat –dat het verboden is planten en dieren die tot een beschermde soort behoren, te plukken, te beschadigen, te doden, te vangen, te verontrusten etc.. De FFwet biedt een aantal mogelijkheden om van deze verboden af te mogen wijken.
Welke afwijkingsmogelijkheden zijn er?
Iedereen kan met planten en dieren, die als beschermde soort zijn aangewezen, te maken krijgen en dus ook met de verbodsbepalingen; de vraag is dan of er een mogelijkheid is om daarvan af te mogen wijken.
Omdat een particulier moeilijk om uit te vinden of een dier beschermd is en welke mogelijkheden er zijn om schade en/of hinder te voorkomen of te beperken, is in het hierna volgende voor die dieren die het vaakst overlast en/of schade veroorzaken, per dier in een matrix aangegeven wat de leefwijze is, welke overlast veroorzaakt wordt, hoe dit voorkomen kan worden, wat de wettelijke status van het dier is, welke mogelijkheden er zijn om van de verbodsbepalingen te mogen afwijken, de toegelaten middelen en ten slotte waar nadere informatie verkregen kan worden.
