Veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa)

Veenmol (Gryllotalpa gryllotalpa (L.))

Orde: Orthoptera (sprinkhanen en krekels)
Familie: Gryllotalpidae (veenmollen)

Veenmollen vallen ondanks hun afwijkende uiterlijk en leefwijze onder de orde van de sprinkhanen en krekels. De voorpoten van de veenmol (die gebruikt worden om mee te graven) zijn sterk verbreed, zoals ook bij mollen het geval is.

De soort komt in Europa en Noord-Afrika van nature voor, maar ook in het oosten van Noord-Amerika is de veenmol intussen aanwezig. In Nederland worden zij met name in Noord- en Zuid-Holland gevonden. De ondergrondse leefwijze maakt dat de veenmol echter niet snel gevonden wordt en dus op meer plaatsen dan bij ons bekend voor zou kunnen komen.

Uiterlijk

Veenmollen zijn roodbruin gekleurde krekels met een sterk behaarde kop en halsschild en grote voorpoten die gevormd zijn om mee te graven. Volwassen vrouwtjes kunnen wel 7 cm lang zijn, mannetjes zijn iets kleiner. De antennen zijn relatief kort voor een krekel. Daarentegen zijn de sterk behaarde staartdraden, die gebruikt worden bij het achteruit door gangen navigeren, wel relatief lang. De voorvleugels zijn vrij kort en afgerond, terwijl de achtervleugels spits zijn en tot net voorbij het achterlijf kunnen reiken. Veenmollen kunnen met hun vleugels (onhandig) vliegen, al zal dit vaak enkel op warme zomeravonden plaatsvinden. Het is ook bekend dat veenmollen kunnen zwemmen.

Ontwikkeling en leefwijze

Veenmollen ondergaan net als andere krekels en sprinkhanen een onvolledige gedaanteverwisseling. Dit wil zeggen dat de ontwikkeling 3 stadia kent: ei–nimf–adult. De jonge nimfen zien er bij geboorte bijna hetzelfde uit als de volwassen dieren; ze zijn echter kleiner en missen nog hun vleugels. De nimfen vervellen tot wel 10 keer voor zij vleugels en geslachtsorganen ontwikkelen tijdens de laatste vervelling naar het volwassen individu.

Vrouwtjes leggen in de lente 100-300 eitjes per keer in een nest in hun gangenstelstel, 10 tot 30 centimeter onder het oppervlak. Veenmollen vertonen broedzorg, het vrouwtje bewaakt eitjes en houd ze schoon.

Afhankelijk van omstandigheden komen nimfen na 10 tot 45 dagen uit hun ei, waarna ze nog enkele weken in het nest verzorgd worden door hun moeder. Na vier of vijf vervellingen verlaten de nimfen het nest. De volledige ontwikkeling van ei tot volwassen duurt relatief lang: gemiddeld wel 500 dagen.

Veenmollen leven ondergronds, het liefst in een vochtige bodem, en eten zowel dierlijk (regenwormen en larven van insecten) als plantaardig voedsel (wortels). Aan het eind van de zomer graven veenmollen een verticale gang die als overwinteringsplaats dient. In Nederland worden volwassen veenmollen met name in april en mei gevonden.
Net als bij andere krekels kunnen de mannetjes geluid maken om vrouwtjes te verleiden. Dit gebeurt meestal rond of na zonsondergang.

Schade

Veenmollen hebben een voorkeur voor dierlijk voedsel, maar kunnen toch in bijvoorbeeld kassen en moestuinen schade aanbrengen. Aangevreten planten zijn een schadebeeld en graaf-activiteit van de veenmol verdroogt de bovenste laag van de bodem, wat tot sterfte van jonge kiemplanten kan leiden.

Bestrijding

De veenmol is opgenomen in de Rode Lijst als kwetsbare soort. Onnodige bestrijding van de soort is daarom niet gewenst.

Veenmollen worden van nature gegeten door mollen, spitsmuizen, eksters, kraaien en insectenetende vogels. Jonge veenmollen worden ook door kleinere insecteneters zoals kikkers en salamanders gegeten. Het stimuleren van de aanwezigheid van deze natuurlijke vijanden zal het aantal veenmollen verminderen.

Het is bekend dat populaties veenmollen gereduceerd kunnen worden door het inzetten van nematoden. Dit zijn microscopische aaltjes die ook ingezet kunnen worden ter bestrijding van bijvoorbeeld keverlarven. Steinernema carpocapsae is een soort die van nature in Nederland voorkomt en ingezet kan worden voor dit doel.

Advies

Mocht u na het lezen van deze informatie nog vragen hebben, neem dan contact op met het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD).

Disclaimer

Deze informatie wordt u verstrekt zonder dat er een expert van ons ter plaatse geweest is. Dit betekent dat u deze informatie op eigen risico gebruikt. Het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor enige (vervolg-)schade die hieruit voortvloeit. Om zeker te weten om welk dier het gaat en de overlast zoveel mogelijk te beperken, raden we u altijd aan om een determinatie bij ons te laten doen of een onderzoek ter plaatse te laten verrichten door een KAD-adviseur.