draaigatje2

Mediterraan draaigatje

Orde: Hymenoptera (vliesvleugeligen)
Familie: Formicidae (mieren)

Mediterrane draaigatjes  (soorten uit het Tapinoma nigerrimum-complex) werden voor het eerst in Nederland aangetroffen in 2013. De invasieve exotische mierensoort wordt sindsdien op een groeiend aantal locaties aangetroffen. Mediterrane draaigatjes zijn mieren die er een nogal indrukwekkende leefwijze op na houden. Er is geen sprake van één koningin in één nest, maar elk jaar sluiten alle nieuwe koninginnen zich aan bij het bestaande nest. Alle koninginnen produceren werksters en die werken samen in een zogenaamde superkolonie. Zo ontstaat een flinke dichtheid aan mieren en ook de omvang van de kolonie kan enorm worden. Dit leidt tot problemen, zoals de verdringing van andere mierensoorten en het ondergraven van bestrating. Alle bekende populaties zijn in stedelijk gebied en op elke plek komen de mieren ook massaal in tuinen en binnenshuis voor, waar hun gebijt en gezoek naar voedsel niet wordt gewaardeerd.

Bestrijding van het mediterraan draaigatje en andere invasieve mieren is complex en vraagt meestal om een breed en meerjarig op de specifieke soort gericht beheersplan dat onder begeleiding van mierendeskundigen wordt uitgevoerd. Neem bij vragen hierover contact met ons op!

Uiterlijk

Het mediterraan draaigatje is een zwarte, glanzende mier waarvan de werksters tussen de 2,4 tot 5,1 millimeter groot zijn. De flinke variatie in lichaamsgrootte is een kenmerk om de soort bijvoorbeeld van de wegmier (Lasius niger L.) te kunnen onderscheiden.

Om de soort sluitend te determineren (oftewel op naam te brengen) en andere (exotische) soorten uit te sluiten, is detailonderzoek nodig met een sterke loep of liefst met een stereomicroscoop. Het mediterrane draaigatje heeft tussen het borststuk en achterlijf één knoop, die klein is en van boven niet te zien is omdat het achterlijf er overheen is gebogen. De soort is vervolgens op naam te brengen door de bovenlip te bekijken: deze heeft een flinke inkeping. Er zijn ook inheemse (van nature in Nederland voorkomende) Tapinoma-soorten met een dergelijke inkeping, maar deze leven alleen in natuurgebieden.

Ontwikkeling en leefwijze

In het veld kunnen de draaigatjes ook nog herkend worden aan het feit dat er straten zijn van werksters die allemaal dezelfde route lopen en de typisch kratervormige nestopeningen (alleen na een periode van rustig en mooi weer, maar let op voor de kleinere ‘kratertjes’ van de zwarte zaadmier, Tetramorium caespitum).

Mediterrane draaigatjes maken clusternesten, hetgeen betekent dat elke ruimte rondom de kolonie gebruikt kan worden als nest. In het voortplantings-seizoen zijn de mieren en hun broed dan ook vaak aanwezig op allerlei door de zon beschenen plekjes zoals in muurtjes en bijvoorbeeld ook direct onder op de stoep liggend afval.

Een kolonie van het mediterraan draaigatje bestaat uit zeer veel eileggende koninginnen die allemaal familie van elkaar zijn. De nieuwe koninginnen vliegen namelijk niet weg om een eigen nest te beginnen, maar na de bevruchting kruipen ze weer terug in het moedernest.

De werksters van alle koninginnen werken met elkaar samen en zo ontstaat een uitgebreide superkolonie. De werksters zijn het meest talrijk in de kolonie en ook het meest te zien. Zij vergaren voedsel, zoeken nieuwe nestplekjes en verplaatsen het broed naar warme en veilige plekken. In de wintermaanden is er veel minder activiteit, maar zelfs dan zijn er meestal nog wel enkele werksters aan het oppervlak te zien.

In het voorjaar worden poppen van geslachtsdieren (nieuwe koninginnen en mannetjes) naar het oppervlakte van het nest gebracht, waar ze sneller ontwikkelen door de warmte van de zon. Na ongeveer een maand verpoppen de eersten, waarna er een maand lang gevleugelde geslachtsdieren bij de kolonie zijn, tot aan het begin van de zomer. De geslachtsdieren zijn vooral ’s ochtends te zien en af en toe kan er een mannetje wegvliegen, in de hoop een koningin van andere kolonie te bevruchten.
In de zomermaanden is de kolonie op z’n grootst en zijn er aan de flanken ook satellietnesten te zien, die waarschijnlijk alleen door werksters gebruikt worden om zo dichterbij nieuwe voedselbronnen te komen.

20210420_153429 Werksters zoeken de kleinste gaatjes op richting de spouwmuur.

Voedsel

Mieren zijn omnivoren (alleseters) met een breed dieet. De werksters voeden zich graag met het energierijke honingdauw van bladluizen en nectar uit bloemen. Met name voor de koninginnen en de larven wordt eiwitrijker voedsel verzameld, zoals levende en dode kleine dieren.
Ook worden zaden van sommige planten verzameld om de ‘mierenbroodjes’ (vet- en suikerrijk aanhangsel van sommige plantenzaden) daarvan te eten. Door hun opportunistische voedselzoekgedrag komen ze ook vaak dicht bij of in huis terecht. Hier kunnen ze foerageren (zich voeden) op etensresten, bijvoorbeeld het fruitafval in de groenbak of huisdierenvoer.

Verspreiding

Het mediterraan draaigatje is waarschijnlijk in ons land terecht gekomen met grond van tuin- of potplanten. Het is een warmteminnende soort uit Zuid-Europa. In Nederland kan het draaigatje met name overleven op de warmste plekjes. Het gaat dan tot nu toe om trottoirs, muren, en tuinen met weinig planten die op het zuiden staan en zo flink opwarmen door de zon.
De nesten bevinden zich in de grond, in tuinmuurtjes en op sommige plekken ook deels in de spouw of binnenshuis.

Schade en overlast

De overlast buiten bestaat uit verzakkende stoepen en tuinen, het opgewerkte zand, de toename van door de mieren gehouden bladluizen waardoor tuinplanten hun esthetische waarde verliezen, kleverige honingdauw die op eigendommen terecht komt en mieren die bijten.

De overlast binnen wordt vaak als ernstiger beschouwd, puur door hun aanwezigheid, met name op voedsel. Bij alle tot nu bekende kolonies in Nederland komen de mieren ook binnenshuis, soms zelfs tot op de bovenverdiepingen. In veel huizen worden binnen ook gevleugelde geslachtsdieren aangetroffen, hetgeen aangeeft dat er in de huizen of de huismuren ook al nesten aanwezig zijn.

De aanwezigheid van de mieren kan omwonenden financiële schade opleveren: ze kopen bestrijdingsmiddelen, huren professionele bestrijders in of ze vervangen tuinplanten of bestrating. Op sommige plekken is een grote kolonie aanwezig en moet ook de gemeente financiële middelen inzetten om gecoördineerde en meerjarige bestrijding mogelijk te maken.

IMG_3466 20200318_095046 Overlast wordt zowel buitens- als binnenshuis veroorzaakt.

Wering en bestrijding

De bestrijding van het mediterraan draaigatje is lastig en kost veel tijd. Het belangrijkste is dan ook om te vóórkómen dat het mediterraan draaigatje op een plek terecht komt. Dit betekent dat voorlichting aan en monitoring van tuincentra belangrijk zijn. Ook moet aandacht besteed worden aan tijdige herkenning en verwijdering van beginnende kolonies.

Bij bestrijding van mieren is het noodzakelijk om altijd eerst de soort te determineren. Niet alleen omdat verschillende mierensoorten verschillend bestreden moeten worden, maar dus ook voor de vroegtijdige signalering van invasieve exoten, waarna direct de gemeente en gespecialiseerde plaagdierbeheersers ingeschakeld kunnen worden.

  • Vroegtijdige signalering.
  • Voorkom verspreiding.
  • Schakel een professioneel bedrijf in met kennis over de desbetreffende mieren.

Advies

  1. Wees er zeker van dat u met het mediterraan draaigatje te maken hebt. Hoewel het gedrag en de vorm van nestuitgangen goede kenmerken zijn, is hier ook overlap met inheemse mieren, zoals de wegmier en de zwarte zaadmier. Laat overlastgevende mieren dus altijd determineren door ervaren deskundigen van bijvoorbeeld het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen of een andere specialist. Als de mieren niet in een potje te vangen zijn werkt een plakbandje ook.

  2. Bedenkt u dat deze soort een groot gebied in kan nemen; hebben uw buren ook overlast van dezelfde mier? Dit is dan waarschijnlijk dezelfde kolonie. Met een enkel huishouden de mieren aanpakken is dan slechts symptoombestrijding, want de kolonie verplaatst zich als een olievlek.

  3. Veel middelen en doe-het-zelf oplossingen hebben een contact-dodende werking. Aangezien deze soort zeer veel koninginnen per kolonie heeft is de kans zeer klein dat een dergelijke aanpak blijvend effect heeft, zeker als u midden in “veroverd” gebied woont. U kunt de mieren hier slechts voor korte duur mee wegnemen.

  4. Woont u aan de rand van een bekende kolonie, dan kunt u de opmars wél dwarsbomen. Met kokend water kunt u oprukkende verkenners doden en kleine, beginnende nestopeningen (waar wellicht nog geen koninginnen in de buurt zijn) verstoren.

  5. Heeft u overlast in huis?

    • Het is niet altijd duidelijk waar de mieren naar binnen komen, maar regelmatig is dit langs en door kozijnen van ramen en deuren, of via oude afbrokkelende voegen. Dicht deze waar mogelijk.
    • Regelmatig poetsen van plekken waar mieren lopen kan hun geursporen af laten nemen.
    • Laat geen eten achter voor de mieren. Denk aan etensresten, maar ook aan dierenvoer of dode insecten zoals vliegen.
    • Een professionele bestrijdingstechnicus kan, afhankelijk van de ernst, voor enige weken tot maanden voor verlichting zorgen door bestrijdingsacties. Maar denk ook aan de “olievlek” buiten de deur.

Waarschuwing

Bij het gebruik van biociden is het van groot belang om de gebruiksaanwijzingen op het etiket van de verpakking nauwkeurig op te volgen. Wees ook alert op de, eveneens op het etiket vermelde, waarschuwingen.

Resten van biociden en lege, ongereinigde verpakkingen dienen te worden beschouwd als klein gevaarlijk afval. Wij adviseren u daarom deze resten in te leveren bij het KGA-depot in uw gemeente.

Wanneer u een werkzame stof of de toelatings-status van een biocide wilt checken, kunt u de bestrijdingsmiddelendatabank van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) raadplegen: www.ctgb.nl (onder toelatingen, bestrijdingsmiddelendatabank, zoeken).

Namen van plaagdierbeheersbedrijven kunt u vinden via ons bedrijvenregister.

Disclaimer

Deze informatie wordt u verstrekt zonder dat er een expert van ons ter plaatse geweest is. Dit betekent dat u deze informatie op eigen risico gebruikt. Het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor enige (vervolg-)schade die hieruit voortvloeit. Om zeker te weten om welk dier het gaat en de overlast zoveel mogelijk te beperken, raden we u altijd aan om een determinatie bij ons te laten doen of een onderzoek ter plaatse te laten verrichten door een KAD-adviseur.