Huismuis

Huismuis

Huismuis (Mus musculus L.)
Orde: Rodentia (Knaagdieren)
Familie: Muridae

Huismuizen behoren tot de familie der ware muizen. Van deze familie komen er in West-Europa 6 kleine soorten en 2 grotere soorten voor. Ware muizen hebben alle een vrij lange vacht en een lange dunne staart. De kop is meestal langgerekt met een spitse snuit. De ogen en oren zijn relatief groot. Ware muizen zijn omnivoren en hebben een breed voedselpakket. Ze houden geen winterslaap.

Uiterlijk en ontwikkeling

Huismuizen hebben een slanke bouw, spitse kop, grote oren, kraalogen en een lange dunne staart. Volwassen exemplaren hebben een lichaamslengte van ± 7-10 cm en een gewicht tussen 15-30 gram. Vrouwtjes van 2-12 maanden zijn geslachtsrijp en hebben zo’n 6-10 worpen. De draagtijd is 3 weken en de nestgrootte is gemiddeld 5-6 jongen. De levensduur van de huismuis is ca. 1 jaar.

Leefwijze

De huismuis heeft een groot aanpassingsvermogen, zijn uitstekende klimmers en kunnen tot ca. 30 cm hoogte springen. Reuk is het voornaamste zintuig van de huismuis. Vreemde voorwerpen worden meestal niet geschuwd.
Het zijn alleseters met een voorkeur voor vetrijke voedsel, peulvruchten en granen. Gemiddeld eet een huismuis zo’n 3-5 gram per dag, bij voorkeur eten huismuizen op rustige beschutte plaatsen. Ze hebben weinig behoefte aan vocht, daardoor kunnen ze zeer droge omstandigheden overleven.
Huismuizen leven voornamelijk in gebouwen onder de vloeren, op zolders, achter wanden, boven of in isolatiemateriaal en in of onder opgeslagen materialen.
De actieradius is soms niet meer dan enige meters van het nest af, huismuizen graven of zwemmen zelden en zijn voornamelijk ’s nachts actief.
De huismuis komt ook in de vrije natuur voor.

Sporen en schade

De uitwerpselen (zwart, 3-8 mm lang en 1-3 mm dik) worden verspreid aangetroffen, deze worden vrij snel hard.
De huismuis laat sleepsporen van de staart achter in stoffige omgeving, “buiksmeer” op veel belopen randen en knaagsel van onder meer isolatiematerialen.
Huismuizen kunnen ziektekiemen verspreiden zoals bijvoorbeeld bacteriën, ze bevuilen voedselvoorraden met uitwerpselen en urine. Daarnaast veroorzaken ze knaagschade aan diverse producten en materialen, waaronder ook kabels.

Wering

Gezien huismuizen zich door kleine openingen verplaatsen is het belangrijk ter preventie (ventilatie)openingen in buitenmuren te verkleinen tot maximaal 0,5 cm breedte met behulp van muizenroosters of bijenbekjes. Dicht gaten, scheuren en kieren in muren en vloeren. Beperk het voedselaanbod door afval goed op te ruimen en voorkom het creëren van schuilplaatsen door langdurige opslag te vermijden en in loodsen goederen vrij van de wanden te houden.

Bestrijding

Bestrijding van huismuizen is zinloos zonder dat goede wering en andere preventiemaatregelen zijn toegepast. Dat is dus altijd een belangrijke stap, ook als muizen al aanwezig zijn. Mocht bestrijding toch nodig zijn, dan heeft een mechanische bestrijding (door middel van klemmen en vallen) in eerste instantie de voorkeur. Rodenticiden (gif) moeten eigenlijk pas in omstandigheden worden toegepast waar mechanische bestrijding onvoldoende effect heeft: het is een laatste redmiddel.

  1. Plaats vallen en klemmen op de looppaden van de muizen, denk bijvoorbeeld aan systeemplafonds, kabel- en leidingsgoten.

  2. Plaats deze vallen en klemmen bij voorkeur in lokaaskistjes om te voorkomen dat kinderen of huisdieren zich eraan kunnen bezeren.

  3. Zet vallen en klemmen vast zodat deze niet verplaatst kunnen worden.

  4. Houd de locaties schoon: verwijder uitwerpselen regelmatig zodat nieuwe makkelijk gespot kunnen worden.

  • Let op: zorg voor uw eigen veiligheid dat u bij de verwijdering van klemmen, muizen en uitwerpselen altijd handschoenen en een mondkapje draagt. Ontsmet bij hergebruik uw handschoenen zorgvuldig.

  • Indien u overlast ervaart van huismuizen is het slim om buren te informeren of zij ook overlast ervaren. Probeer zoveel mogelijk als collectief te handelen om migratie te voorkomen en de bestrijding zo effectief mogelijk te maken.

Wanneer de weringsmaatregelen en mechanische bestrijding tekort schieten kan men chemische bestrijding als laatste redmiddel toepassen.
Voor de chemische bestrijding van huismuizen is het van belang zo vers mogelijk lokaas te gebruiken. Let goed op de wettelijke gebruiksvoorschriften en de gebruiksaanwijzingen van het door u aangeschafte product en zorg dat u de voorzorgsmaatregelen en waarschuwingen zoals deze vermeld op het etiket van het middel vermeld staan nauwkeurig opvolgt.

Het is een vereiste dat alle voerplaatsen steeds in voldoende mate voorzien zijn van lokaas. Vooral in de beginfase van de bestrijding is minimaal tweemaal per week controle van alle voerplaatsen noodzakelijk. Geen vers lokaas uitzetten op restant lokaas dat verontreinigd is met uitwerpselen en urine. Beter is dan om het restant van het lokaas te verwijderen en de voerplaats van vers lokaas te voorzien.
Voorzie iedere voerplaats van ca. 30 à 50 gram lokaas. Na vermindering van de opname van het lokaas kan met kleinere hoeveelheid worden volstaan.
Periodieke controles van de voerplaatsen voortzetten tot er geen opname van het lokaas meer is; dode muizen opruimen; na de actie lokaas opruimen en weringsadviezen opvolgen.

Voor 100% resultaat van een bestrijding van huismuizen zijn 3 zaken noodzakelijk:

  1. Alle muizen moeten gedurende meerdere dagen achtereen, dagelijks zoveel lokaas kunnen eten, dat ze een dodelijke dosis binnenkrijgen. Dus bij een grote populatie een groot aantal voerplaatsen maken en het lokaas zo nodig dagelijks verversen.

  2. Zorg dat u de bestrijding duurzaam maakt, d.w.z. de nodige bouwkundige weringsmaatregelen treffen om te voorkomen dat er weer muizen binnendringen.

  3. Indien na 3 à 4 weken geen vermindering van de opname van het lokaas wordt geconstateerd, dan is het raadzaam een gediplomeerde deskundige (dierplaagbestrijder) in te schakelen.

Het is belangrijk om een ruim aantal voerplaatsen in te richten, bijv. op de looppaden om de 5-10 meter en in de directe omgeving van de hoog gelegen schuilplaatsen van huismuizen, zoals:

  • op constructiebalken (spanten) en muren
  • tussen golfdakplaten van stallen en isolatieplaten
  • onder vloeren en boven plafonds
  • in de omgeving van binnensilo’s/voeropslag.

Indien er sprake is van aangebouwde panden, dient coördinatie plaats te vinden, zodat de bestrijding uitgevoerd wordt in alle ruimten waar de muizen zich bevinden.

Zo nodig voorzieningen treffen om voerplaatsen in te richten, bijv.:

  • luikjes maken in plafonds of houten vloeren
  • luikjes maken in isolatieplaten (zie tekening op pagina 3)
  • “bordesjes” maken tegen muren nabij toegangen tot schuilplaatsen
  • in niet afbrokkelende isolatieplaten openingen uitsnijden om brede glazen potten met een van schroefdraad voorziene hals in te kunnen draaien.

Het is belangrijk om van boven afgesloten voerkisten of voerdozen te gebruiken voor het uitzetten van lokaas:

  • buiten bereik van kinderen, huisdieren, vee en vogels situeren
  • lokaas wordt aangeboden op beschutte plaats waardoor opname van het lokaas wordt bevorderd ook als er veel keuzevoedsel aanwezig is
  • voorkomt verspreiding lokaas
  • houdt lokaas stofvrij in stoffige bedrijfsruimten
  • voerplaatsen in te richten op hooggelegen plaatsen zoals op constructiebalken, spanten en spantverbindingen, verwarmingsbuizen, leidingen en langs wanden

Voor de uitvoering van de bestrijding van de huismuis wordt geadviseerd contact op te nemen met een gediplomeerde deskundige in dienst van een gemeente of een bestrijdingsbedrijf.

Namen van bedrijven kunt u vinden op de site van de beide brancheverenigingen (NVPB en Platform Plaagdierbeheersing) en bij de Kamer van Koophandel.

Wanneer u een werkzame stof of de toelatingsstatus van een biocide (= bestrijdingsmiddel) wilt checken, kunt u de bestrijdingsmiddelendatabank van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) raadplegen: www.ctgb.nl.

Resistentie

Er zijn op diverse plaatsen in Nederland populaties huismuizen aangetroffen, die resistent zijn tegen bestrijdingsmiddelen met als werkzame stof bromadiolon.

Van de genoemde lokazen, met zogenaamde multidosis giften, moeten de dieren een aantal dagen achtereen opnemen voordat er resultaten zichtbaar zijn. Slechte resultaten worden verkregen indien:

  • er te weinig lokaas beschikbaar is.
  • er te weinig voerplaatsen zijn ingericht.
  • de voerplaatsen niet op de goede plaats staan.
  • het lokaas niet aantrekkelijk genoeg is.

Als er wel voldoende opname is, maar er geen slachtoffers vallen, kan er sprake zijn van resistentie. Voerresistentie kan ontstaan als muizen gedurende een lange tijd lokaas opnemen in kleine hoeveelheden, die niet dodelijk zijn. Dat wordt veroorzaakt doordat er onvoldoende lokaas wordt uitgezet. Genetische resistentie ontstaat door toevallige veranderingen in het DNA van muizen en ratten, en kan er eveneens voor zorgen dat er wel voeropname is, maar de dieren niet komen te overlijden.

Advies

Bij onvoldoende resultaten van de bestrijding of bij het vermoeden van resistentie adviseren wij u contact op te nemen met het KAD.

Disclaimer

Deze informatie wordt u verstrekt zonder dat er een expert van ons ter plaatse geweest is. Dit betekent dat u deze informatie op eigen risico gebruikt. Het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor enige (vervolg-)schade die hieruit voortvloeit. Om zeker te weten om welk dier het gaat en de overlast zoveel mogelijk te beperken, raden we u altijd aan om een determinatie bij ons te laten doen of een onderzoek ter plaatse te laten verrichten door een KAD-adviseur.