Aphodius_contaminatus_2

Mestkevers

Mestkevers
Orde: Coleoptera (kevers)
Familie: Geotrupidae (echte mestkevers) en Scarabaeidae (bladsprietkevers)

Mestkevers van het geslacht Aphodius (zoals de hierboven afgebeelde Aphodius contaminatus (Herbst)) komen algemeen voor in ons land. Daarnaast zijn er een zevental soorten van het geslacht Geotrupes, waarvan de gewone mestkever (Geotrupes stercorarius (L.)) de bekendste is.

Soms worden in delen van ons land meldingen gedaan van flinke zwermen van Aphodius-kevertjes, die plaatselijk voor grote overlast kunnen zorgen. Onduidelijk is waarom ze met zovelen rondvliegen. Mogelijk zijn bijzondere weersomstandigheden hierbij van belang.

Algemeen

Mestkevers leven in de mest van verschillende dieren, vooral paarden- en koeienmest, enkele ook in vruchtbare aarde of in rottende plantenresten.
Vooral wanneer mest over een groot gebied wordt verspreid, kunnen mestkevers zich massaal ontwikkelen.

Mestkevers zijn erg nuttige insecten. Zij spelen een belangrijke rol in de humusvorming en ze ruimen afval op; ze begraven bijv. uitwerpselen van allerlei zoogdieren. Doorgaans wordt er meer mest begraven dan ze opeten, waardoor ze de terugkeer van voedingsstoffen in de bodem bevorderen.

Uiterlijk

De kevers van Aphodius spp. zijn min of meer ovaalvormig en ca. 4-12 mm lang. Ze zijn overwegend zwart van kleur, al zijn er ook soorten met bruinzwarte of zelfs volledig bruine dekschilden.
Geotrupes-kevers zijn forser gebouwd, vaak bolvormig en 7-26 mm lang. Zij zijn overwegend glanzend zwart van kleur en hebben vaak een opvallend blauw glanzende buik.

Geotrupes-stercorarius De gewone mestkever (Geotrupes stercorarius (L.)).

Ontwikkeling en leefwijze

Mestkevers komen met name voor in graslanden.
De vrouwtjes van Aphodius-soorten graven voor hun broedsel geen gangen in de grond, maar zetten de eitjes direct in het substraat af, waarin de larven dan tot ontwikkeling komen. De broedzorg bestaat hierbij in de ruimste zin hieruit, dat het vrouwtje de juiste groeistoffen voor de larven uitzoekt.
Mestkevers van het geslacht Geotrupes hebben een uitgebreidere vorm van broedzorg. Zij graven een tunneltje met meerdere kamers. Elke kamer wordt voorzien van een eitje en een voorraad mest.

In de zomer en herfst vliegen de volwassen kevers uit. Zij zoeken naast een geschikte bron om hun eitjes in af te zetten ook een schuilplaats in plantenafval en tussen dorre bladeren om in te overwinteren.

Hinder en schade

Hinder van Geotrupes-kevers komt niet voor.
Aphodius contaminatus daarentegen kan vooral in het najaar flink gaan zwermen en plaatselijk voor grote overlast zorgen. Hele gevels van gebouwen kunnen bedekt raken met kleine kevertjes, waarbij ze vaak ook de gebouwen binnendringen. ’s Avonds worden zij aangetrokken door licht. Vooral buislampen hebben een sterke aantrekkingskracht.
De zwermvluchten zijn maar tijdelijk.

Ook in champignonkwekerijen komt wel eens schade voor door Aphodius-kevertjes, voornamelijk door vraat aan ondergrondse delen en het laten omvallen van de paddenstoelen door het woelen in de broeibak.

Wering en preventie

Mestkevers kunnen worden geweerd door het plaatsen van goed sluitende horren in ramen en deuren. Ook het dichten van naden en kieren kan de kevertjes buiten de deur houden.
Een bestrijding van mestkevers is mede door hun nuttige aard niet noodzakelijk en daarom ongewenst.

Advies

Mochten de weringsmaatregelen, uitgevoerd aan de hand van deze informatie, onvoldoende resultaat opleveren, neem dan contact op met het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD).

Disclaimer

Deze informatie wordt u verstrekt zonder dat er een expert van ons ter plaatse geweest is. Dit betekent dat u deze informatie op eigen risico gebruikt. Het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor enige (vervolg-)schade die hieruit voortvloeit. Om zeker te weten om welk dier het gaat en de overlast zoveel mogelijk te beperken, raden we u altijd aan om een determinatie bij ons te laten doen of een onderzoek ter plaatse te laten verrichten door een KAD-adviseur.